(2008) Hofstra, Jan
Dit document is (ook) beschikbaar voor ruilverkeer - alleen door bibliotheken -. [Bestelformulier]
Voor deze studie over de betekenis van de vita van Symeon de Heilige Dwaas in het hagiografisch oeuvre van Leontius van Neapolis wordt eerst positie gekozen in het hagiografisch debat in het algemeen. Moderne inzichten kunnen weliswaar helpen om een heilige te traceren in zijn sociaal-religieuze context, maar voor de literaire gestalte die Leontius ons presenteert blijken de beproefde methoden van de Bollandisten het meest vruchtbaar.
Leontius leefde in de eerste helft van de zevende eeuw, op Cyprus; toch vinden we in zijn werk, geschreven kort voor de Arabische veroveringen, geen sporen van een ondergangsdenken onder de bevolking van het oostelijk rijksdeel van Byzantium. Wel is Leontius bezield door morele zorgen, door teleurstelling of zelfs woede over de kerkelijke en monastieke realiteit en de theologische strijd, die in voor-afgaande decennia voor veel onrust zorgde. In die zin draagt Leontius' werk –- afgezien van de informatie over talloze realia –- bij aan onze kennis over dit tijdvak: de ervaring en de interpretatie, door een kritisch tijdgenoot, van het leven aan de vooravond van een onvermoede omwenteling.
De Vita van Johannes de Barmhartige wordt –- tegenover de opinie van Déroche –- in deze studie als het eerste werk van Leontius beschouwd. Alom wordt de historische betrouwbaarheid van deze vita geprezen en benut. Toch is opvallend hoe vrij Leontius zijn held schildert, en wel in afwijking van de hem bekende biografie door Moschus en Sophronius. Johannes is, behalve een onbetwistbaar histori-sche gestalte, bij Leontius een literaire figuur, aan wiens optreden hij zijn zorgen over kerk, klooster, over de menselijke verhoudingen, tot zelfs corruptie en geldzucht, duidelijk maakt. Hier toont Leontius reeds zijn voorliefde voor aanstootgevend gedrag, van Johannes zelf en van de bijrollen –- voor de echt sterke staaltjes die hij niet aan Johannes kon of wilde toeschrijven –-, als middel om de mensen moreel en religieus bewust te maken. De schrijver betrekt ons daarbij in een eigen bewustwordingsproces, dat op gang gebracht wordt door zijn (literaire) omgang met de hoofdpersoon en diens geliefde lectuur, de vaderspreuken. In deze Vita blijken alle bouwstenen voor de latere Vita Symeonis reeds voorhanden te zijn.
De studie onderzoekt mogelijke bronnen (vooral Evagrius Scholasticus) voor de Vita Symeonis en gaat -– Brown en Drijvers kritisch volgend -– op zoek naar een sociaal-religieus milieu voor mogelijk `dolgedraaide' monniken, in wier rol iemand als Symeon is ondergedoken of door Leontius is geschilderd.
Leontius blijkt een fris schrijvende auteur (versus Festugière en Mango), en de Vita Symeonis heeft een subtiele en krachtige compositie. Voor de interpretatie is het noodlottig om, zoals o.a. Benz en Krueger doen, het eerste hoofddeel (Symeon en Johannes als asceten in de woestijn) buiten beschouwing te laten en evenzeer om het tweede hoofddeel (Symeon als dwaas in de `wereld') te behandelen als grotendeels `overgeschreven'.
De auteur wordt alleen recht gedaan wanneer we deze beide delen in hun samenhang intact laten en eerst, ongeacht eventuele ontleningen, zijn literaire schepping analyseren onder het motto: de eenheid van een tekst ligt niet in zijn oor-sprong, maar in zijn bestemming (Roland Barthes).
Het eerste hoofddeel toont bij Symeon en Johannes, naast hun ascetische wedloop, vreemd genoeg een toenemende genegenheid voor de dierbaren (moeder, resp. echtgenote) die in de `wereld' zijn achtergebleven, totdat Symeon Johannes toeroept: `Wat doen we hier in de woestijn nog voor nut? Laten we liever naar de wereld gaan om nog enkelen te redden!' Van de daaropvolgende emotionele discussie om tot een keuze te komen, maakt Leontius veel werk. Het is tevens het scharnier tussen de beide hoofddelen en heeft een centrale plaats in het werk.
Johannes blijft, Symeon reist naar de stad Emesa en kiest voor de rol van een gek geworden monnik, die overlast en ergernis veroorzaakt, maar ondertussen aan zijn woestijnascese trouw blijft. Zijn incognito blijft wonderwel bewaard. In deze rol kan hij zich identificeren met de verschoppelingen van zijn tijd, en bij zijn dolle streken tot redding weet hij vele aanzienlijken van hun verborgen ongerechtigheden te overtuigen.
De studie analyseert de Griekse ascetische woordenschat en de technische termen voor Symeons dwaze optreden en geeft een synthese van het theologisch en antropologisch denken van de auteur aan de hand van de geschetste verhoudingen tussen God, mens en duivel -– zowel in de woestijn als bij Symeons optreden in Emesa.
In het gesprek met hem bekende auteurs als Moschus, Palladius (Historia Lausiaca) en Theodoretus van Cyrrhus, kiest Leontius een eigen weg, die zich pas goed voor ons opent in zijn debat met de Scala Paradisi. In de Scala regeert de angst dat liefde tot de mensen in mindering kan komen op de liefde tot God en dus de eigen redding kan bedreigen. Daaruit komt Leontius' begrip voort voor de angst van Johannes om Symeon te volgen, en daarom beschrijft Leontius Symeons roeping als een riskante loopbaan voor zeer weinigen –- of misschien maar één?
De diepste laag van de V.S. bereiken we in de vele episoden waarin Leontius zijn inspiratie ontleent aan de Evangeliën, die kennelijk in de `echo-kamer' van Leontius' hoofd een belangrijke plaats innemen. Er zijn duidelijk geconstrueerde parallellen tussen het leven van Jezus en dat van Symeon, die het louter symbolische overstijgen en Symeon presenteren als een alter Christus, die in uiterste ver-nedering zijn reddingswerk verricht. Diverse episoden worden op hun `Jezus-gehalte' onderzocht. Is Symeon een vriend van God of van de duivel? Hoe staat het met zijn `Symeon-Geheimnis'? Biedt Leontius in Symeon een beeld, of zelfs een gespeelde theologie, van het dwaze van de liefde Gods? Tegenover Krueger wordt vooral de nadruk gelegd op de uitdrukkelijke grens die Leontius aanhoudt in Symeons Christustrekken, die het hem ook mogelijk maakt zoveel humor door de episoden heen te weven: skandalon en aanstoot als een diepernstig spel. Leontius wil zijn lezers zo de liefde van Christus voor het verlorene dichtbij brengen.
Door de voortdurende nadruk op `niet oordelen' dringt zich het besef op dat Leontius hier een poging doet tot rehabilitatie van de `gesjeesde' monniken in wier rol hij Symeon heeft geschilderd. Leontius biedt geen blauwdruk van de beste keuze voor een asceet van zijn dagen; hij betoont zich veeleer, behalve hagiograaf, ook pastor.
In elk geval heeft hij voor vele generaties na hem spannende spirituele lectuur geboden. Beide heiligenlevens hebben ook trekken van een psychologische roman.
N.B. Hier zij gaarne verwezen naar de recente Nederlandse vertaling van de beide heiligenlevens: Leontios van Neapolis, Leven van Johannes de Barmhartige en Leven van Symeon de Heilige Dwaas, inleiding en vertaling W.J. Aerts en H. Hok-werda. Grieks Proza 20, Groningen 2006, ISBN 978-90-808942-3-5, 111 blz. (uitg. Ta Grammata, zie www.tagrammata.nl).
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/314194053 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta