| |
|
|
|
|
(1994) Ouden, Willem Hendrik den
Op 23 april 1798, eerst ruim drie jaar nadat de omwenteling zich voltrokken had, nam
de Nationale Vergadering, de volksvertegenwoordiging van de Bataafse republiek, een
nieuwe staatsregeling aan als eerste constitutie van de nieuw gevormde Nederlandse
nationale eenheidsstaat.
Onder het hoofd ’Burgerlijke en Staatkundige Grondregels’ bevatte deze staatsregeling
enkele artikelen (19-23) die de algemene verhouding van de Staat tot de godsdienst en
de Kerk regelden. Artikel 21 hiervan bepaalde: ’Elk Kerkgenootschap zorgt voor het
onderhoud vanzijneEredienst,deszelfsBedienaaren enGestigten’.Deze constitutionele
bepaling greep diep in het bestaan van de Hervormde Kerk in, omdat deze Kerk, zoals
vervolgens uitvoerig beschreven is, gedurende het gehele ancien régime als bevoorrechte
Kerk direct of indirect zowel bestuurlijk als financieel gedragen werd door de
burgerlijke overheden, lokaal, gewestelijk en nationaal.
In een zestal additionele artikelen gaf de Nationale Vergadering vervolgens aan hoe de
bestaande bevoorrechting beëindigd moest worden. In artikel 1 wordt bepaald dat de
’voormaals Heerschende Kerk’ nog drie jaar na het aannemen van de staatsregeling, dus
tot 23 april 1801, zou kunnen rekenen op de uitbetaling van de traktementen aan
predikanten en theologische hoogleraren. Verder stond in artikel 4 dat alle geestelijke
goederen en fondsen waaruit de traktementen en pensioenen van predikanten en
theologischehoogleraren totdusverbetaaldwerden,nationaalverklaardzoudenworden.
En tenslotte bepaalde artikel 6 dat in elke gemeente een herverdeling zou plaatsvinden
van kerkgebouwen en pastorieën op basis van zielental per gezindte.
Met deze staatsregeling werd de Hervormde Kerk voor de opgaaf gesteld binnen drie
jaar tijd de financiering rond te krijgen van de salarissen van haar circa vijftienhonderd
predikanten alsmede van de emeriti- en weduwenpensioenen. Daarnaast moest de Kerk
de kosten voor haar rekening nemen van het theologisch hoger onderwijs en van het
levensonderhoud van de daarbij behorende hoogleraren, van de exploitatie en het
onderhoud van al haar kerk(elijke) gebouwen en tevens van de salarissen van beambten
als kosters, voorlezers, organisten, catechiseermeesters en ziekentroosters en ten slotte
van haar gehele kerkelijke organisatie.
Op dezedrakonischewetgeving hebben de kerkelijke organenmeer adequaat gereageerd
dan tot dusverre werd aangenomen. Om te beginnen heeft de Noordhollandse
Synode op 28 juli 1795, dus in een zeer vroege fase van het proces, op instigatie van de
Haarlemse predikant Abraham Rutgers als eerste een financiële commissie in het leven
geroepen om aan de opdoemende problemen het hoofd te bieden. Dit initiatief werd
gevolgd door de synoden van de meeste andere gewesten en van deWalen alsmede door
de classes in Zeeland, waar sinds anderhalve eeuw geen synode gehouden was. Vanuit
de financiële commissie van de provincie Utrecht werd daarop een aantal predikanten
als vertegenwoordigers van hun gewesten en van deWaalse Synode samengeroepenom
overleg te plegen over de vraag hoe men zich tegen de dreigende maatregelen van
de overheid teweer kon stellen. Tijdens de eerste sessie van 11-13 april 1797 van deze
zogenaamde Utrechtse Coetus werd nagegaan hoe de materiële toestand van de kerk in
de verschillende gewesten was en stelde men een waardevolle inventarisatie op van de
toestand der kerkelijke financiën in de gehele republiek. Gedurende de tweede sessie
van 18-29 mei 1797 werd een protest ingediend bij de NationaleVergadering dat echter
niets uitrichtte. Anderzijds vond het in deze sessie uitgegeven parool, dat de afzonderlijke
gemeenten tot actie moesten overgaan, veel weerklank binnen de Kerk.
Het is alweer A. Rutgers, lid van deze Coetus, die in de derde sessie van 24-28
juli 1798 een uiterst belangrijk voorstel indiende dat ongewijzigd werd overgenomen.
Dit hield in dat de leden van elke gemeente naast de kerkeraad een financiële- of
gemeentecommissie zouden machtigen om zich met de kerkelijke financiën te gaan
bezighouden. Het was de bedoeling dat zij tot fondsvorming zouden overgaan ter
voorziening in de lokale behoeften, maar zich bovendien zouden verenigen om ter
voorziening in de meer algemene behoeften der Kerk naast lokale ook classicale of
gewestelijke fondsen te vormen. Verder zou het hun taak zijn om na te gaan welke
rechten de kerkelijke gemeenten konden doen gelden op de eigendommen van de met
nationalisatie bedreigde goederen en fondsen.
Geruggesteund door dit plan zijn gemeenten met name in Holland voortgegaan met
dergelijke commissies te vormen. Betrekkelijk spoedig na haar oprichting heeft de
gemeentecommissie van Dordrecht samen met die van Den Haag een zeer belangwekkend
en aanvankelijk ook succesvol initiatief genomen: de vorming van een
algemene vergadering van gemeentecommissies van Noord- en Zuid-Holland, een
beraad van commissies van Hollandse steden of wel het Hollandse Stedenberaad. Dit
Stedenberaad dat in de lente van 1799 voor het eerst bijeenkwam, vatte zijn taak in drie
punten samen:
1. Het indienen van bezwaarschriften tegen nationalisatie van de geestelijke
goederen en tegen de herverdeling der kerkgebouwen.
2. Het treffen van maatregelen om het voortbestaan van de Hervormde Kerk althans
financieel veilig te stellen, dus fondsvorming.
3. Het beramen van middelen om de Hervormde Kerk meer eenheid en vastigheid
van organisatie te geven.
Vanuit dit Stedenberaad en vele kerkelijke gemeenten zijn bij de overheid bezwaarschriften
ingediend waaraan meestal exposés waren toegevoegd die het historisch recht
van de hervormden op deze goederen moesten aantonen. Op grond van deze adressen
kwam de overheid tot de conclusie dat deze zaak eerder thuishoorde bij de rechter dan
bij de politiek.
Voor de fondsvorming zijn in een groot aantal gemeenten in de periode van 1799-1801
financiële acties gevoerd, die veel weg hadden van die van de huidige actie Kerkbalans.
Zij werden echter achterhaald door de Staatsregeling van 1801, die de inkomsten uit de
bestaande fondsen en kassen voor de Hervormde Kerk onverlet liet. Hierdoor werd
eveneens de eigenlijke doelstelling van de gemeentecommissies achterhaald. Wel
hadden de gemeenten met fondsvorming ervaring opgedaan toen zij vanaf 1 januari
1810 voor de taak kwamen te staan zelf te zorgen voor de onderhoudskosten van de aan
hen overgedragen kerkelijke gebouwen en voor de salariëring van de kerkelijke
beambten. In feite ligt hier de oorsprong van de huidige kerkvoogdijen in de Nederlandse
Hervormde Kerk.
Bij de regionale fondsvorming deden zich twee problemen voor die in wezen
onoplosbaar waren omdat men voor dilemma’s stond.
Het eerste dilemma heeft betrekking op de fondsvorming als zodanig. Zou men alles op
de kaart van de fondsenwerving zetten, dan zou men, al naar gelang het succes van deze
acties groter was, de claim op de geestelijke goederen tegenover de overheid verzwakken.
Deze zou namelijk kunnen concluderen dat de hervormden zeer goed voor zichzelf
konden zorgen. Dit dilemma loste zichzelf op, want midden in deze ontwikkelingkwam
de eerder genoemde Staatsregeling van 1801 tot stand met de voor de Hervormde Kerk
gunstige bepaling in artikel 13 ’Ieder kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit
van hetgeen met den aanvang dezer Eeuw door hetzelve wierd bezeten’. Deze regeling
kwamin feite in de plaats van de gewestelijke uit de tijd van de Republiek. Daarmee was
er een basis gelegd voor de financiering van de predikantstraktementen, pensioenen en
verdere emolumenten uit de kassen van de eenheidsstaat. Dit systeem heeft alle
veranderingen van staatsvorm en grondwet gedurende de negentiende en de eerste helft
van de twintigste eeuw overleefd daar steeds op de bepalingen van 1801 kon worden
teruggegrepen. Men kan zeggen dat artikel 13 de oorsprong vormt van de ’Rijkstractementenregeling’
in de Nederlandse Hervormde Kerk. Eerst in 1972 is de desbetreffende
bepaling als artikel 185 uit de grondwet verdwenen. Er werd een afkoopregeling
ontworpen die ten slotte op 7 december 1983 haar beslag zou krijgen.
Het tweede dilemma werd gevormd door de problemen die de verandering van
organisatie aan de orde stelde toen de overheden zich terugtrokken en in feite één (vrije)
kerk binnen de nieuwe eenheidsstaat gevormd diende te worden. Men moest voor deze
Kerk een organisatiestructuur vinden die tegelijkertijd alle voormalige overheidstaken
zou overnemen, èn deze toerusten met een centrale top, die in staat zou zijn in het
vervolg de financiering van het kerkewerk op alle niveaus te regelen. Indien deze
organisatorische krachttoer mocht gelukken dan zou het beheer geregeld zijn.
Het bestuur stond hier in principe los van, zodat men voor de vraag kwam te staan of en
hoe het beheer vervolgens op alle niveaus met het bestuur - kerkeraden, classes, synoden
- in betrekking kon worden gebracht. Om ’het lichaam van de Hervormde Kerk de
nodige eenheid en vastigheid te geven’ zou dit bestuur in elk geval eveneens gecentraliseerd
moeten worden door de vorming van een nationale synode.
Hetgeen volgde was een paradoxale ontwikkeling. Het bestuur werd namelijk drastisch
gecentraliseerd, maar het beheer bleek door zijn van oudsher zo lokaal versplinterde
organisatie toch weerbastiger te zijn dan de optimisten uit het Stedenberaad gedroomd
hadden. Ook koningWillem I kwam hier niet uit en regelde het beheer door middel van
provinciale reglementen. Daardoor is binnen de Hervormde Kerk de verhouding tussen
bestuur en beheer tot heden problematisch gebleven.
Niettemin toont het in deze studie gepresenteerde onderzoek naar de door allerlei
personen en organen tijdens de Bataafse republiek ondernomen activiteiten aan dat er
veel meer is gebeurd dan ooit door de traditionele geschiedschrijving werd verdisconteerd.
Dit alles werpt, veel meer dan tot dusverre het geval was, een positief licht op
de toenmalige staat van de Hervormde Kerk.
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/136233333 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta
|
|
| |
| To top
|
| |
© 2003-2007 RUG : De Rijksuniversiteit Groningen heeft de rechten van deze repository. Alle rechten voorbehouden. Powered by WildFire
| |