(2006) Banerjee, Sarbani
‘Here cometh the new age woman’ luidde de titel van een artikel in de dagelijks krant de Times of India in
2004 waarin aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van de vrouw in India: een hoger opgeleide
werkende vrouw die zich in het publieke domein beweegt welke eerst alleen aan mannen leek te zijn
voorbehouden. Overal ter wereld zien we veranderingen in de levens van vrouwen optreden: in opleiding,
seksualiteit, huwelijk en scheiding, het krijgen van kinderen, familie-leven en arbeidsparticipatie. Deze
veranderende levens van vrouwen staan centraal in dit proefschrift in een vergelijking tussen India (de
zuidelijke staat Karnataka) en Nederland.
Onderzoeksvragen
De onderzoeksvragen van het promotieonderzoek zijn als volgt:
1. Welke invloed heeft opleiding op de reproductieve levensloop van vrouwen, dwz tijdstip / leeftijd
van huwelijk en het krijgen van een eerste kind, in India en Nederland?
• wat zijn de verschillen tussen oudere en jongere generaties vrouwen?
2. Wat zijn de percepties van vrouwen zelf betreffende de invloed van opleiding op de
gebeurtenissen in hun reproductieve loopbaan (menarche, huwelijk of samenwonen, het krijgen
van kinderen)? Wat zijn hun opvattingen en percepties over:
• de timing van de reproductieve gebeurtenissen in hun reproductieve loopbaan (vroeg, precies
op tijd, laat)?
• de ceremonies die plaats vinden als ‘rites de passage’, ten einde de transitie van de ene naar
de andere reproductieve levensfase te vieren?
• de kennis die zij hadden ten tijde van deze transities?
• hoe de verschillende transities aanleiding geven tot verandering van gedrag, zoals verwacht
door de sociale omgeving?
• hoe de verschillende transities aanleiding geven tot andere rolpatronen?
• de winsten (‘gains’) of te wel de voor- en nadelen van het bereiken van bepaalde
reproductieve gebeurtenissen of het doorlopen van bepaalde transities?
• hoe deze ‘winst’ gerelateerd is aan hogere opleiding?
3. Hoe is de positie van vrouwen in de samenleving veranderd over de generaties van moeders en
dochters?
• welke invloed heeft een hogere opleiding gehad op autonomie en besluitvorming, volgens
vrouwen zelf?
• welke invloed heeft een hogere opleiding gehad op status (toegekende status of verworven
status), volgens vrouwen zelf?
4. Welke aspecten van de relatie tussen hogere opleiding en tijdstip / leeftijd van huwelijk en het
krijgen van een eerste kind zijn universeel en welke cultuur / samenlevings specifiek?
Het onderzoek richt zich derhalve niet alleen op het bestuderen van hoe en op welk tijdstip / leeftijd de
reproductieve gebeurtenissen plaatsvinden in de reproductieve loopbaan van vrouwen, maar ook wat de
percepties van vrouwen zelf zijn over hun eigen reproductieve loopbaan. Dit onderscheid tussen een etic
en emic benadering (Pike 1967), waarbij de emic benadering de ‘insider’s point of view’ weergeeft, komt
in het onderzoek terug in het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de geleefde levensloop (‘lived life
course’) en de gepercipieerde levensloop (‘perceived life course’(d.w.z. de levensloop zoals ervaren door
vrouwen zelf).
Theoretisch raamwerk
Het theoretische kader van de studie bestaat uit de levensloop benadering (Giele en Elder 1998) waarbij de
reproductieve levensgebeurtenissen van huwelijk en het krijgen van het eerste kind worden bestudeerd als
parallelle loopbanen van de opleidingsloopbaan. Er wordt gekeken hoe het volgen van een hogere
opleiding leidt tot uitstel van deze gebeurtenissen in de reproductieve loopbaan en wat verschillen zijn
tussen de oudere en jongere generaties. Ook wordt gekeken naar de betekenis die wordt gegeven aan de
verschillende reproductieve gebeurtenissen. Daarnaast geeft de sociale theorie van Coleman (1990) de
mogelijkheid om de structurele invloed van de context (samenleving) op het individuele gedrag, via de
individuele achtergrond, te bestuderen. De theorie dient derhalve om het macro (samenleving) en het
micro (individu) niveau aan elkaar te relateren. Hiertoe wordt ook ‘de structuratietheorie van Giddens
gebruikt. Die theorie benadrukt de dualiteit van ‘structure’ en ‘agency’ en het belang van modaliteit tussen
deze beiden. Die modaliteit bestaat uit interpretatieve schemas, faciliteiten of bronnen en normen.
Methoden
Voor beantwoording van de onderzoeksvragen worden data geanalyseerd van de India National Family
Health Survey, Karnataka (NFHS 1998-99) en het Nederlandse Onderzoek Gezinsvorming (OG 1998).
Naast dit kwantitatieve onderzoek is ook kwalitatief onderzoek verricht. In zowel India (Bangalore) als
Nederland (Groningen) zijn diepte-interviews afgenomen onder hoger opgeleide vrouwen die midden in
hun reproductieve loopbaan zitten. In Bangalore werden jonge hoger opgeleide werkende vrouwen met
kinderen en hun moeders geïnterviewd, ten einde ook veranderingen over generaties te kunnen bestuderen.
In Groningen werden de jongere hoger opgeleide werkende vrouwen met kinderen geïnterviewd.
Enkele resultaten
Kwantitatief onderzoek
De resultaten van de kwantitatieve analyse geven aan dat in vergelijking met Nederland, vrouwen in
Karnataka op jongere leeftijd trouwen en op jongere leeftijd kinderen krijgen. Echter, wanneer je
verschillende generaties met elkaar vergelijkt, dan nemen de proporties ongetrouwde vrouwen in
Karnataka op leeftijd 18, 20 en 22 toe. De analyse geeft aan dat onder jongere vrouwen, geboren in 1971-
1976, het huwelijk meer wordt uitgesteld dan onder oudere vrouwen. Het is verder opvallend dat, voor alle
generaties, het huwelijk en het krijgen van kinderen nauw aan elkaar zijn gerelateerd: het is het huwelijk
dat wordt uitgesteld. Eenmaal getrouwd, wordt niet het krijgen van kinderen uitgesteld. Hoger opgeleide
vrouwen in Karnataka krijgen op latere leeftijd kinderen dan vrouwen met minder opleiding. Echter, dit
uitstel-effect treedt op tot aan leeftijd 25. Op dat moment lijken culturele leeftijdsnormen ten aanzien van
het moederschap een belangrijke rol te gaan spelen: er is geen sprake meer van uitstel van het krijgen van
kinderen. Het zeer lage percentage vrouwen dat uiteindelijk kinderloos blijft, onder vrouwen van alle
opleidings-niveaus, geeft het universele belang aan van het krijgen van kinderen en de sociale status die
wordt afgeleid van het moederschap.
Bij de overlevingscurves zien we dat bij elke leeftijd, de proportie vrouwen met een hogere opleiding
zonder kind altijd hoger is voor hoger opgeleide vrouwen dan lager opgeleide vrouwen. De timing van het
eerste kind wordt beïnvloed door de toename in het aantal opleidingsjaren van de vrouw. Bijvoorbeeld: op
leeftijd 22 zijn de meeste laag-opgeleide vrouwen al moeder, terwijl slechts 16 procent kinderloos is.
Onder hoger opgeleide vrouwen is dit laatste percentage 40 procent op leeftijd 22. Kijkend naar de leeftijd
bij afstuderen en de invloed op het krijgen van het eerste kind, zien we dat voor elke cohort de duur tussen
afstuderen en het krijgen van het eerste kind afneemt naarmate opleiding toeneemt. In het cohort 1971-
1976, kennen lager opgeleide vrouwen een gemiddelde (mediaan) duur van 7.7 jaar tussen hun
‘afstuderen’ en hun eerste kind. Voor hoger opgeleide vrouwen neemt deze duur af tot 4.6 jaar.
Onder Nederlandse vrouwen, zien we niet alleen dat zij, in vergelijking met vrouwen in Karnataka, op
latere leeftijd kinderen krijgen, maar ook dat een groot percentage van vrouwen kinderen krijgt na hun 30e
levensjaar. In Nederland leidt uitstel niet tot afstel. De meeste kinderloze vrouwen van dertig krijgen
alsnog een kind. Dit is geen recent verschijnsel: dit gebeurde al in het cohort vrouwen geboren in 1961-
1965. Op leeftijd 32 is de proportie kinderloze vrouwen in het cohort 1945-1960 21.5 procent, in het
cohort 1966-1970 een hoger 29.5 procent. Kijkend naar de invloed van hogere opleiding op geboorte van
het eerste kind onder Nederlandse vrouwen, is de gemiddelde (mediaan) leeftijd bij de eerste geboorte bij
lager opgeleide vrouwen 23 jaar, onder hoger opgeleide vrouwen 29 jaar.
In Karnataka is het huwelijk universeel en we zagen dat vrouwen met een hogere opleiding op latere
leeftijd huwen. In Nederland is het huwelijk minder belangrijk geworden in de jongere generatie, maar dit
wordt gecompenseerd door een toename in samenwonen. De relatie tussen opleiding en huwelijk werkt
hier naar twee kanten: naar een uitstel in huwelijk maar naar een vervroeging in samenwonen. In een
vergelijking tussen Karnataka en Nederland, kunnen we voor Nederlandse vrouwen en de jongere
generatie van vrouwen in Karnataka spreken van een keuze biografie (‘choice biography’), voor de oudere
generatie vrouwen in Karnataka van een standaard biografie (‘standard biography’).
Kwalitatief onderzoek
Hetzelfde vinden we terug in de diepte-interviews onder oudere en jongere vrouwen in Karnataka: de
jongere generatie hoger opgeleide vrouwen kent vrijere normen ten aanzien van de verschillende
reproductieve gebeurtenissen. De gebeurtenis van de eerste menstruatie, nog uitgebreid gevierd met een
ceremonie onder de oudere generatie als een ‘rite de passage’ naar volwassenheid en huwelijk, is niet
meer belangrijk bij de jongere generatie. Terwijl de moeders aangaven dat enkelen van hen op dat tijdstip
moesten stoppen met hun opleiding, voor altijd of voor een bepaalde periode, vervolgden de jongere
vrouwen gewoon hun opleiding nadat ze hun eerste menstruatie hadden gehad. Jongere hoogopgeleide
vrouwen blijken ook over meer kennis te beschikken bij de verschillende reproductieve gebeurtenissen
dan hun moeders, en waren meer vrij om reproductieve zaken te bespreken.
Terwijl nog de helft van de huwelijken onder de jongere vrouwen gearrangeerd is, bestaat de andere helft
uit een zogenoemde ‘love marriage’. Moeders hadden merendeels een gearrangeerd huwelijk. Een
belangrijk verschil met hun moeders is dat de jongere vrouwen bij een gearrangeerd huwelijk zeggen
zeggenschap te hebben gehad in de keuze van hun echtgenoot en de criteria waaraan die echtgenoot zou
moeten voldoen. Belangrijke criteria, naast een vaste en stabiele baan (zoals voor hun moeders vooral van
belang) en uiterlijk, geven jonge vrouwen ook aan dat ze mentale comptabiliteit tussen de partners,
emotionele rijpheid en gezamenlijke interesses belangrijk vonden.
Ook ten aanzien van verwachtte rolpatronen en gedragsverandering na de verschillende transities
(menarche, huwelijk en het krijgen van kinderen) zijn er grote verschillen te zien tussen de jongere en
oudere generatie vrouwen in Bangalore. Jongere vinden bijvoorbeeld meer informatie over huwelijk en
kind-zorg bij collega’s op het werk, terwijl hun moeders vooral afhankelijk waren van hun
(schoon)familie en zich ook meer baseerden op lokale kennis. De jongere generatie vrouwen in Bangalore
geeft aan hoe moeilijk het is om de rol van moeder en werkende vrouw te combineren.
Hierin zijn er duidelijk overeenkomsten met de jonge vrouwen in Groningen: ook zij noemen de
moeilijkheid van het combineren van het moederschap en hun baan. Er zijn verschillen tussen vrouwen in
Bangalore en Groningen: een vroeg en laat patroon van huwen en kinderen krijgen; huwelijk in Bangalore
en huwelijk en samenwonen in Groningen. Maar er zijn ook opmerkelijke overeenkomsten te vinden: een
destandardisatie van reproductief gedrag, minder restricties, meer vrijheid ook onder Bangalore vrouwen;
een meer individuele, cosmopolitaine levensstijl; hoger percentage ‘love marriages’; het belang van
comptabiliteit van echtgenoten; restricties in vrijheid na het krijgen van het eerste kind, ook bij
Nederlandse vrouwen. Voor beide groepen van jonge vrouwen wordt het leven en de reproductieve
loopbaan steeds meer een onderhandelings-loopbaan (‘negotiating career’) waarbij bij Nederlandse
mannen meer een zorgende vaderrol op zich nemen dan echtgenoten in India.
Hoger opgeleide vrouwen in Karnataka geven aan dat een hogere opleiding en werk hen vele voordelen
heeft gebracht. Zoals ze zelf aangeven: ze kunnen zich meer vrijelijk bewegen buitenshuis; ze hebben
meer zelfvertrouwen; ze kunnen zaken bespreken met hun echtgenoot en kennen daardoor meer intimiteit
met hun partner; hun echtgenoot helpt hen in het huishouden; de partners zijn meer gelijk; ze kennen
financiele onafhankelijkheid, een eigen bijdrage aan het huishouden en hebben meer zeggenschap in
allerlei familie-beslissingen. De status van de getrouwde vrouw (aangegeven door teenring en de ‘mangala
sutra’) en moeder geeft hen daar bovenop niet alleen aanzien maar ook meer vrijheid in de samenleving,
zoals ze zelf aangeven.
Relevantie
Het onderzoek benadrukt, zoals al vele onderzoeken doen, het grote belang dat meisjes naar school gaan
en een opleiding volgen. Het onderzoek gaat echter een stap verder dan veel ander onderzoek, door te
bestuderen wat nu de effecten zijn van zo’n hogere opleiding. En het gaat daarbij niet alleen om de
effecten op het reproductieve leven, d.w.z. uitstel van huwelijk en het krijgen van kinderen, maar ook op
de status en positie van vrouwen in de Indiase samenleving, zoals dat door vrouwen zelf wordt ervaren.
Het onderzoek bestudeert ontwikkelingen in de Indiase samenleving en geeft een indicatie van de
toekomst waarin meer meisjes naar school zullen gaan. Jonge hoger opgeleide werkende vrouwen geven,
zoals hun Nederlandse counterparts, vooral ook aan hoe moeilijk het is om moederschap en werk te
combineren.
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/291497055 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta
Afdrukken op bestelling.