(2000) Bentinck, J.V.
Ongeregelde urbanisatie aan Delhi’s stadsrand, veranderende patronen van grondgebruik en bestaanswijze Het centrale onderzoeksthema van dit proefschrift betreft de gevolgen van urbanisatie op het ruraal-urbane randgebied van Delhi. Deze gevolgen omvatten vier delen: het grondgebruik, de ‘actoren’ met een rol in het grondgebruik en de lokale economie, de (veranderende) situatie van werk en inkomen onder de dorpsbevolking, en de kwaliteit van de leefomgeving.
De metropool Delhi telt ruim 13 miljoen inwoners en breidt snel uit onder invloed van een sterke bevolkingsaanwas (meer dan de helft door migratie), door expanderende economische bedrijvigheid en door incorporatie van dorpen in de stad. Dit laatste geschiedt in een tempo van een tiental dorpen per decennium. De dorpen die nog in het ruraal-urbane overgangsgebied liggen laten ook een sterke transformatie zien. Veranderingen in de lokale economische omgeving (‘site’) en de bereikbaarheid (‘situation’) hebben sterke gevolgen voor de beroepsoriëntatie van de bevolking in de vorm van forenseren en de ontwikkeling van lokale niet-agrarische activiteiten. Door bestudering van de secundaire data ontstaat weliswaar een beeld, maar we weten nog niet voldoende verbanden en details over het urbanisatieproces in de dorpen. Voor het empirische deel van het onderzoek is gebruikgemaakt van diverse methoden. Huishoudenquêtes alsmede gerichte diepte-interviews waren het belangrijkste instrument voor het analyseren van de veranderende bestaanswijze. Voor het in kaart brengen van het landgebruik werden satellietbeelden gebruikt, en voor beleidsaspecten werden er kranten en andere media op nageslagen.
De invloed van de fysieke incorporatie van de dorpen in de stad op de leefomgeving wordt geï llustreerd met behulp van een casestudy, om zo ook het voorland van de nu nog relatief landelijke stadsranddorpen te verkennen.
De enorme dynamiek van het grondgebruik is een kenmerkend aspect van ruraal-urbane randgebieden van snelgroeiende steden zoals Delhi. Grondbestemmingen veranderen van agrarische naar urbane functies, grondprijzen stijgen snel, en veelvuldige transacties hebben tot gevolg dat ook de eigendomstructuur verandert. De volgende relevante klassen van grondgebruik domineren in het onderzoeksgebied, en illustreren de overgang van ruraal naar urbaan in de tijd en in de ruimte:
1.akkerbouw (afnemend onder invloed van urbanisatie)
2.tuinbouw en bloemen (licht toenemend door impuls van de stedelijke markt)
3.bos, communaal land en plantages (afnemend door bevolkingsdruk)
4.ongebruikt (in totaal stabiel, maar ruimtelijk veel verschuivend in de transitie naar een ander gebruik of voor speculatieve doeleinden)
5.steenfabrieken en ermee gelieerde afgravingen (nu weer afnemend door verschuiving naar verder weg gelegen platteland)
6.(luxe) buitenhuizen (toenemend)
7.infrastructuur (toenemend)
8.bebouwd (sterk toenemend, vooral illegale wijken, industrie en opslagplaatsen, maar ook geplande bebouwing).
Remote sensing (RS) in de vorm van satellietbeeldinterpretatie bleek nuttig, maar de RS analyse kon niet ieder type grondgebruik naar tevredenheid onderscheiden. Desondanks konden in combinatie met visuele interpretatie bruikbare kaarten worden gemaakt van het studiegebied. Bovendien verschafte RS inzicht in de fysieke kenmerken van elk type landgebruik. Er zit nog veel potentie in de verfijning van toepassing van RS in stedelijke randgebieden.
Urbanisatie wordt vaak in verband gebracht met milieudegradatie. Maar vanuit een sociaal-economisch perspectief is de eventuele aantasting van de fysieke eigenschappen van het land (bijvoorbeeld bodem en vegetatie) vaak niet relevant. Het gebruikersnut wordt steeds diverser, er wordt druk gehandeld en de grond is relatief makkelijk klaar te maken voor elk willekeurig gebruik. Soms zijn er spanningen tussen soorten grondgebruik, zoals het afgraven van landbouwgrond voor zand en klei, die niet alleen (tijdelijk) nadelig zijn voor de grond in kwestie maar ook voor aanliggende percelen landbouwgrond (bijvoorbeeld door erosie en verstoring van het irrigatiesysteem). Deze complexe relatie voorziet echter ook in positieve effecten (b.v. het afsteken van licht saline bodems en moeilijk te irrigeren hoger gelegen landbouwgrond). De actorbenadering biedt inzicht in de betrokken personen, groepen en instituties die invloed en belangen hebben in grond. Naarmate de urbanisatie voortschrijdt neemt het aantal en de diversiteit van belanghebbenden toe. Bepaalde groepen binnen de lokale bevolking, vooral (voormalige) landbezittende boeren, blijven invloedrijk. Grote aantallen arme migrantenhuishoudens vinden op illegale manier een stukje land om te wonen. Andere belangrijke private actoren zijn grondmakelaars, speculanten, ontwikkelaars en industriëlen. De overheid mengt zich in het ‘spel’ in vele gedaanten. Eén van de belangrijkste instanties, de Delhi Development Authority (DDA), heeft een monopolie op de officiële stadsuitbreiding (onteigening en ontwikkeling van grond). Dit betekent niet dat de DDA de ruimte ongestoord kan plannen. De DDA schiet duidelijk tekort in zijn taak van de grond- en huizenbouwvoorziening. De informele sector springt in dit gat en bouwt op grote schaal illegale nederzettingen waarin ook de voorheen rurale dorpelingen vaak een belangrijke rol spelen. De schaarste aan grond, de moeilijkheden met de aanleg van infrastructuur en de milieuproblemen zijn terug te voeren op conflicten tussen de formele en informele actoren.
Veel bronnen uit de ontwikkelingsgeografie (vooral uit de hoek van de political ecology) benadrukken de ongunstige positie van (kleine) boeren en (armere) lokale huishoudens. In de dagelijkse praktijk van het stedelijk randgebied is echter meestal geen sprake van slachtoffering. De prijzen van de grond en de tarieven van onteigening zijn vrij hoog, de bevolking houdt een behoorlijke vinger in de pap, en participeert sterk in economisch aantrekkelijke stedelijke activiteiten. De zwakste groep zijn de migranten die geen erfrechten hebben in de dorpen, zeer laagbetaalde arbeid verrichten, en een speelbal vormen van autoriteiten en politici.
De sociaal-economische situatie van de dorpelingen verandert sterk onder invloed van urbanisatie. Op dorpsniveau is urbanisatie merkbaar in de geografische aspecten van ‘site’ en ‘situation’. De site verandert in de vorm van landgebruikveranderingen, meer lokale bedrijvigheid en uitbreiding van het voorzieningenniveau, en de situation verandert als gevolg van betere verbindingen met de stad waar de (arbeid)markten zich sterk ontwikkelen.
Onder de dorpsbevolking is bij voorbaat een driedeling te onderscheiden op basis van de sociaal-economische uitgangspositie van huishoudens: de oorspronkelijke dominante (landbezittende) huishoudens (Groep I), de overige autochtone huishoudens die meestal bij lagere kasten behoren (Groep II) en de migrantenhuishoudens (Groep III). Aangaande de sociaal-economische bestaanswijze van de bevolking kan worden geconcludeerd dat verreweg de meeste huishoudens reeds gebruik (kunnen) maken van stedelijke werkgelegenheid. Ook inkomsten die nauw samenhangen met urbanisatie (verhuur van huizen en grond, (detail)handel, etc.) zorgen voor een algemene stijging van het welvaartspeil. Groep I houdt nog het sterkste vast aan agrarische inkomsten, maar integreert ook in grote getale in de stedelijke arbeidsmarkt, vooral in overheidsbanen (variërend van buschauffeur tot politieofficier). Groep I kan het meeste profijt trekken van landtransacties en verhuur van huizen en verpachten van land doordat de leden van deze groep (nog steeds) veel lokale macht en informatie bezitten. Groep I behoudt mede hierdoor duidelijk een voorsprong in gemiddelde levensstandaard. Groep II, oorspronkelijk afhankelijk van landarbeid en kleinschalige nijverheid in het kastengebonden Jajamani systeem, richt zich vrijwel geheel op stedelijke werkgelegenheid (ook veel in overheidsdienst, variërend van arbeider tot medewerker administratie), en lokale diensten en handel. De traditionele kaste-gebonden activiteiten worden losgelaten, geï nstitutionaliseerd of gecommercialiseerd. Vooral de groeiende kleine middenstand is in handen van Groep II. De gemiddelde levensstandaard stijgt, maar is duidelijk lager dan die van Groep I. Groep III neemt langzamerhand de positie van laagste arbeidersklasse over. Deze migranten hebben meestal te kampen met een abominabele levensstandaard. Echter, men vindt in de stedelijke randzone een bestaansmogelijkheid die er in hun gebied van herkomst niet is. Het laatste aspect gaat over de veranderende leefomgeving in en rond de urbaniserende dorpen. Hiervoor wordt een casestudy gebruikt van een reeds volledig geürbaniseerd en verregaand geï ndustrialiseerd dorp, waar het oorspronkelijke dorp verweven is met fabriekjes, sloppenwijken en verwaarloosd lager gelegen land. Uit de chaotische urbanisatie resulteert congestie, vervuiling en druk op de voorzieningen. Deze hebben sterk negatieve gevolgen voor de leefomstandigheden en de gezondheid van de bevolking. Dit is een lastig te onderzoeken onderwerp omdat omgevingsfactoren erg moeilijk zijn te relateren met gezondheid, en bij navraag de perceptie vaak afwijkt van de werkelijke situatie. Desondanks kan worden geconcludeerd dat de slechte leefomgeving vooral infectieziekten (bijvoorbeeld veel TBC), respiratoire aandoeningen, huidaandoeningen en psychische klachten (mede) veroorzaakt. De vele ongelukken in de fabrieken door de slechte werkomstandigheden zijn natuurlijk direct terug te voeren op het soort industrialisatie dat zich in dit dorp heeft voorgedaan. Er is ook een positieve kant van stedelijke ontwikkeling in de vorm van de toegenomen welvaart die zorgt voor betere behuizing en een hoger voorzieningenniveau. Dit geldt voornamelijk voor de oorspronkelijke dorpsbewoners. Voorts dragen de alom aanwezige medische voorzieningen (variërend van kwakzalvers tot zeer capabele artsen) bij aan een betere toegang tot medische zorg, zeker in vergelijking met perifere plattelandsgebieden. Aan de negatieve kant leidt de ongeplande urbane uitbreiding tot vermenging van residentieel, industrieel en commercieel landgebruik, en tot een enorme bevolkingsdichtheid. De huishoudens die zich nabij illegale industrie bevinden, en werkgelegenheid vinden in dezelfde industrie, vormen de meest kwetsbare groep (vrijwel uitsluitend migranten). Voor de migranten leggen milieuproblemen het af tegen de zorg om de broodwinning. Bovendien zijn de omstandigheden in de merendeels achtergebleven plattelandsgebieden waar men vandaan komt welbeschouwd nog ongunstiger. Niettemin zou een groot deel van de milieuproblemen te voorkomen zijn door middel van regels en planning die inspringt op het specifieke urbanisatieproces van stadsranddorpen.
Het ligt in de lijn der verwachting dat de stedelijke invloed zich over een steeds groter gebied gaat uitstrekken. Desondanks zal door de enorme vraag naar grond en het gebrekkig functioneren van overheidsinstanties het grote huizentekort blijven bestaan. De informele sector zal door middel van spontane stadsuitbreiding mee moeten helpen. Dit over het algemeen overigens niet tot verdriet van de lokale dorpelingen, die op deze manier veel vaker profiteren van baten die voortkomen uit urbane ontwikkeling.
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/240300432 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta
Afdrukken op bestelling.