| |
|
|
|
|
(1964) Wal, Anna Margaretha van der
SAMENVATTING
In hoofdstuk I werd het doel van het onderzoek beschreven, nl. op exacte wijze te toetsen, of de ervaring van ons zelf en anderenjuist is, dat zoveel patiënten met bronchuscarcinoom al gedurende vele jaren geregeld gehoest hebben, niet zelden vanaf hun jeugd. Ook tonen deze patiënten vaak andere verschijnselen van CARA (chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen), nl. kortademigheid en sputum opgeven. Met name werd bij onze eigen patiënten deze relatie tussen bronchuscarcinoom carcinoom en CARAv astgesteld door Romc (1960). ,,Chronisch hoesten" vond hij bij zijn groep bronchuscarcinoompatiënten 3 maal zo vaak als bij een controlegroep. Deze controlegroep bestond echter uit ziekenhuispatiënten en was dus niet aselect. Bovendien verschilden de rookgewoonten tussen de bronchuscarcinoomgroep en de controlegroep sterk. Een nader onderzoek naar de frequentie van CARAb ij bronchuscarcinoompatiënten leek dan ook gewenst. Dit onderzoek moest zodanig worden opgezet, dat de onderlinge relaties tussen bronchuscarcinoom, CARA en roken (vooral het sigarettenroken) konden worden nagegaan. Speciaal was het hierbij van belang te onderzoeken, of CARA een zelfstandige, niet van het roken afhankelijke, rol speelt in de etiologie van het bronchuscarcinoom. Bovendien koesterden we de hoop, dat een nadere analyse van dit vraagstuk onze inzichten in de problematiek van het longcarcinoom (speciaal de toeneming van het aantal gevallen en de rnan/vrouw ratio) zou kunnen verdiepen.
SUMMARY
The object of this investigation (chapter I) was to check the impression, obtained by US and several other authors, that many patients with lung cancer complain of a chronic cough, ofien for several years, sometimes even since childhood. These patients also often show other symptoms of chronic non-specific lung diseases (C.N.S.L.D.), as shortness of breath and expectoration. ROUING(1 960), in our clinic, showed that scchronicc ough" was found 3 times as often in a lung cancer group as in a control group. This control group, however, was composed of hospital patients and therefore could not be considered as aselect. Moreover the smoking habits of the lung cancer patients and of the control group differed considerably. A further investigation into the prevalence of C.N.S.L.D. among lung cancer patients therefore seemed desirable. This investigation had to be planned in such a way that a possible relationship between lung cancer, C.N.S.L.D. and smoking might be established. It seemed especially worth while to hestigate whether C.N.S.L.D., independent of smoking, was a factor in the pathogenesis of lung cancer. Analysis of this question might further furnish an explanation of the problems existing today in the pathogenesis of lung cancer with its ever increasing rate of occurrence and male preponderance.
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/803007973 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta
|
|
| |
| To top
|
| |
© 2003-2007 RUG : De Rijksuniversiteit Groningen heeft de rechten van deze repository. Alle rechten voorbehouden. Powered by WildFire
| |