| |
|
|
|
|
(2010) Oijen, Simon van
Het doel van een pleegzorgplaatsing is doorgaans gericht op het zo snel mogelijk herstellen van de oorspronkelijke opvoedingssituatie of het op korte termijn verkrijgen van duidelijkheid omtrent de haalbaarheid hiervan (Hermanns & Horn, 2000). Indien mogelijk heeft de pleegzorgplaatsing een afgebakend en tijdelijk karakter, waarin wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Blijkt echter herstel van een aanvaardbare pedagogische opvoedingssituatie bij ouders niet mogelijk dan is het doel van de pleegzorgplaatsing gericht op het bieden van een nieuw perspectief voor de opvoeding van het pleegkind (Weterings, 1991, 2005).
Ondanks het toenemend aantal jeugdigen dat in de pleegzorg wordt geplaatst is er nog maar weinig kennis over de ontwikkeling van deze jeugdigen tijdens de pleegzorgplaatsing (Lambermon, 2005; Lipscombe, Moyers & Farmer, 2004; Strijker & Zandberg, 2001; Zandberg, Knorth & Strijker, 2007). Daarnaast heeft onderzoek van Strijker en Zandberg (2001) laten zien dat het percentage ongunstig voortijdig beëindigde pleegzorgplaatsingen (breakdown) in Nederland voor de langdurige pleegzorg ongeveer 30% bedraagt.
Een breakdown van de pleegzorgplaatsing heeft veelal negatieve gevolgen voor alle betrokkenen van deze plaatsing. Voor het pleegkind zijn dit bijvoorbeeld een verminderde agressieregulatie, een negatief zelfbeeld en een toenemend wantrouwen in (nieuwe) opvoeders (Junger‐Tas, 1981; Van den Bergh & Weterings, 2006). Hierdoor neemt het vermogen van het pleegkind om zich aan (nieuwe) opvoeders te binden verder af (Rosenfeld et al., 1997) en ontstaat er een negatieve spiraal van toenemende gedragsproblemen waarmee het risico op een toekomstige breakdown toeneemt (Newton et al., 2000). Voor het pleeggezin leidt een breakdown veelal tot spanningen in de gezinsrelaties (Gilbertson & Barber, 2003; Redding, Fried & Britner, 2000) en gevoelens van falen bij de pleegouders (Denby, Rindfleisch & Bean, 1999; Minty, 1999). Dat kan leiden tot een burn‐out van het pleeggezin en het verlies van een pleeggezin voor de zorgaanbieder (Strijker & Zandberg, 2001).
De prevalentie van breakdown bij adolescente pleegkinderen is in Nederland tot nog toe niet onderzocht. Buitenlandse studies tonen echter voor deze groep pleegkinderen een hoog breakdownpercentage, variërend van 40 tot ruim 50% (Farmer, Moyers & Lipscombe, 2004; Leathers, 2006; Sallnäs, Vinnerljung & Westermark, 2004). Zie verder: Samenvatting.
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/323573312 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta
Afdrukken op bestelling.
|
|
| |
| To top
|
| |
© 2003-2007 RUG : De Rijksuniversiteit Groningen heeft de rechten van deze repository. Alle rechten voorbehouden. Powered by WildFire
| |