Dissertaties - Rijksuniversiteit Groningen
 
vp.gif
English | Nederlands

Behavioural Cournot competition

(2003) Lier, Adrianus Joseph van

Het (speltheoretisch) model van Augustin Cournot heeft inmiddels de respectabele
leeftijd bereikt van 165 jaar en men zou verwachten dat alle varianten en gevolgen van
dit model uitputtend zijn bestudeerd. Beknopt geformuleerd beschrijft het klassieke
Cournot-model een markt waarin rivaliserende bedrijven ieder hun productiehoeveelheid
manipuleren; ieder bedrijf doet dit met het oogmerk van winstmaximalisatie en houdt
daarbij rekening met de (verwachte) hoeveelheden van het product die door de rivalen
op de markt gebracht (zullen) worden. Deze strategische acties van de bedrijven kunnen
leiden tot een evenwicht wat betreft het totale marktaanbod en de marktprijs. Echter: het
Cournot-model (en natuurlijk het Bertrand-model, waarbij rivalen juist de prijs van hun
heterogene producten manipuleren uit strategisch oogpunt) geniet nog altijd grote
belangstelling in het wetenschappelijk onderzoek. Allerlei varianten worden bestudeerd
en onderwerpen die in het brandpunt van deze belangstelling staan zijn de existentie van
evenwichten, de stabiliteit van evenwichten, de consequenties van twee-stapsspelen
(zogenaamde delegatie spelen), leer- en aanpassingsprocessen bij de spelers
(bedrijven) en spelen met onvolledige informatie. Vanzelfsprekend hebben ook de
verdere ontwikkeling en verfijning van de speltheorie in de laatste decennia bijgedragen
tot deze voortdurende belangstelling.
De titel van dit proefschrift, “Gedragsmatige Cournot-concurrentie”, reflecteert het feit
dat dit werk gewijd is aan de implicaties van het gedrag van managers in
Cournotconcurrentiespellen.
Naast de gebruikelijke voorkeur van managers voor de winst van
het bedrijf (het klassieke model) kan ook de (productie)grootte of het marktaandeel van
de onderneming deel uitmaken van de doelen van managers. Empirisch onderzoek laat
duidelijk zien dat managers een voorkeur vertonen voor de vergroting van de
onderneming, die vaak direct is weerspiegeld in de omvang van hun eigen
departementen. Ook marktaandeelgroei scoort hoog op de lijst van voorkeuren van
managers. Deze motieven van managers kunnen van psychologische aard zijn, maar ze
worden vanzelfsprekend ook ingegeven door de salarisopbouw; als marktaandeel of
productiegrootte zijn opgenomen in het salariscontract van managers (naast winst) en,
dus deels het salaris of de bonus bepalen, zullen managers hier ook naar handelen.
Naast deze voorkeuren van het management worden in dit proefschrift ook de
consequenties van aanpassingskosten van een bedrijf geanalyseerd, die optreden als
het productieniveau wijzigt in een krimpende of aantrekkende markt. Dergelijke
aanpassingskosten worden (op korte termijn) onder andere beïnvloed door de aard van
het personeelsbeleid en de hoogte van salarissen, alsmede eventuele uitkeringen of
gouden handdrukken (naast de lange-termijnkosten als gevolg van investering of deinvestering).
Wanneer bijvoorbeeld vaste aanstellingen voor het personeel behoren tot
de bedrijfscultuur, zullen de (aanpassings)kosten bij het inkrimpen van de markt in een
periode van economische recessie hoger uitpakken dan bij een personeelsbeleid dat
werkt met tijdelijke contracten (uitzendbureaus). Zoals we bij de bespreking van de
hoofdresultaten van de hoofdstukken zullen zien, kan het gedrag van het management
ingrijpende gevolgen hebben voor de winstgevendheid en de marktpositie van de
onderneming enerzijds en de sociale welvaart in ruimere zin anderzijds. De
overlevingskansen van een bedrijf kunnen cruciaal afhangen van dit gedrag. Tevens
kan, bij wat extremere voorkeuren van de managers, zelfs in een duopoliemarktstructuur
de stabiliteit van het markevenwicht verstoord worden, hetgeen kan
leiden tot een zogenaamd chaotisch marktaanbod.
Alvorens de belangrijkste resultaten per hoofdstuk op een rij te zetten, merken we
hier reeds op dat de analytische consequenties van de gebruikte modellen gezien
kunnen worden in het licht van twee subdisciplines, namelijk het perspectief van de
Organisatieecologie (OE) uit de sociologie en dat van de Industriële Organisatie (IO) uit
de economie. OE bestudeert, kort geformuleerd, populaties van organisaties en
concenteert zich op zogenaamde diffuse of indirecte concurrentie. Vanuit dit standpunt
concurreren bedrijven (in een populatie) om dezelfde en gelimiteerde bronnen van
bestaan, zoals de marktvraag naar hun producten. Bepaalde kenmerken van
organisaties in een populatie zijn van invloed op hun overlevingskansen in de context
van een Darwiniaans selectieproces. In OE staat het concept inertie centraal; bedrijven
creëren standaardroutines en -procedures (die in een moderne maatschappij de
betrouwbaarheid van het bedrijf naar buiten toe bevestigen) en de verandering van deze
“blauwdruk” stuit op weerstand. Omdat de snelheid waarmee deze “blauwdruk” gewijzigd
kan worden vaak lager is dan de snelheid waarmee de omgeving (bijvoorbeeld de
marktvraag) verandert, wordt verondersteld dat organisaties relatief inert zijn. Ook in dit
proefschrift ligt de nadruk op de inertie van de voorkeuren van managers - dit kan
voorkeur voor grootte of marktaandeel zijn. Tevens wordt het begrip “inertheid van de
organisatie” gehanteerd betreffende de aanpassingskosten. Vanuit het standpunt van
OE kan een organisatie dus niet zomaar de voorkeurspatronen van zijn managers
wijzigen of de aanpassingskosten veranderen op korte termijn. Het zijn de bedrijven met
de gunstigste eigenschappen (bijvoorbeeld voorkeuren voor omvang of
winstgevendheid) die overblijven of gedijen in een bepaalde omgeving als gevolg van
een selectieproces. Omdat de nadruk in dit proefschrift ligt op het gezichtspunt van de
organisatieecologie, worden allerlei combinaties van de voorkeuren van managers of
aanpassingskosten van (twee) concurrerende bedrijven bestudeerd. Vandaar dat ook
een extreme voorkeur voor (productie)grootte of marktaandeel onderwerp van analyse
kan zijn.
De economische subdiscipline van de industriële organisatie houdt zich bezig met het
modelleren van verscheidene vormen van concurrentie, waarbij een breed spectrum van
perfecte (diffuse) concurrentie tot oligopolistische (direkte) concurrentie aan bod komt. In
tegenstelling tot de inertie die centraal staat in OE, kunnen bedrijven vanuit het
gezichtspunt van IO flexibel allerlei strategische acties ondernemen om bijvoorbeeld
toetreding van rivalen te belemmeren of een concurrent uit de markt te drijven. Vanuit dit
standpunt kunnen (de eigenaren van) ondernemingen de voorkeuren van hun managers
of de aanpassingskosten manipuleren, teneinde een gunstige strategische marktpositie
te bewerkstelligen. Deze strategische manipulatie van de voorkeuren van managers
treffen we bijvoorbeeld aan in de zogenaamde (twee-staps)delegatiespelen, waarbij een
eigenaar een manager inhuurt en de doelfunctie van die manager bepaalt met behulp
van een “incentive contract”. Op verscheidene plaatsen in dit proefschrift worden ook
mogelijke strategische manipulaties belicht onder de voorwaarden dat (i) de
onderneming (eigenaar) zich bewust is van de strategische implicaties van een actie, (ii)
adequate informatie heeft over de relevante parameters (niveau van voorkeur voor
grootte of marktaandeel of grootte van de aanpassingskosten) van de concurrent en (iii)
daadwerkelijk in staat is de relevante parameters ten gunste van het bedrijf te wijzigen.




file:titlepages/contents
file:chapter 1
file:chapter 2
file:chapter 3
file:chapter 4
file:chapter 5
file:chapter 6
file:chapter 7
file:author index
file:references
file:samenvatting
file:thesis

Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/255726813

Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta

[print]Afdrukken op bestelling.




 
To top