| |
|
|
|
|
(2004) Veen, Roelof Jakob van der
Het gaat niet goed met Afrika. De ontwikkeling van het continent verloopt uiterst teleurstellend en de wereldwijde welvaartsstijging gaat aan de Afrikanen voorbij. De afgelopen decennia zijn ze alleen maar armer geworden. Het is het gevolg van de jarenlange desintegratie van de Afrikaanse staten, concludeert Roel van der Veen in zijn proefschrift. Hij promoveert op 24 juni 2004 aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Afrika blijft achter bij de rest van de wereld. De ontwikkeling komt maar niet op gang. Integendeel zelfs, over het hele continent is de bevolking armer geworden. Talrijke staten worden geteisterd door wanbestuur, geweld, corruptie en aids, en enkele als Somalië, Liberia, Sierra Leone of Congo zijn zelfs volkomen gedesintegreerd. Van der Veen analyseert in zijn proefschrift hoe de Afrikaanse staten sinds hun onafhankelijkheid langzaam het pad van de desintegratie zijn opgegaan. Rond 1960 stond het continent er op het eerste gezicht niet slechter voor dan de andere niet-westerse continenten Azië en Latijns-Amerika. De relatief slechte situatie waarin Afrika nu verkeert, kan niet alleen worden toegeschreven aan de invloed van het internationale systeem, meent de promovendus.
Cliënt-patroon relaties
Het slechte functioneren van Afrikaanse staten begon al direct na de onafhankelijkheid. De machthebbers van de nieuwe onafhankelijke staten waren vaak westers opgeleid en hadden vooral hun contacten met de vertrekkende koloniale machten. Om hun binnenlandse machtsbasis zeker te stellen zagen zij zich daarom gedwongen de bevolking aan zich te binden door het opbouwen van zogenaamde patroon-cliëntrelaties. In ruil voor politieke steun gaven de machthebbers ambtenarenbanen weg aan de bevolking. "De bureaucratieën begonnen na de onafhankelijkheid dan ook meteen uit te dijen," zegt Van der Veen. De verworven macht was alomvattend en onbeperkt. Het leidde tot het ontstaan van eenpartijstaten die de gehele economie opslokten. Daarnaast zochten leiders voor het verstevigen van de macht bijna altijd steun van militairen, die daarvoor een deel van de staatsinkomsten kregen of zich toeëigenden. Soms schoven militairen de burgers zelfs aan de kant, en ontstonden er militaire dictaturen. Daarmee kwam ook een nieuwe manier van binding tussen bevolking en machthebbers tot stand, gebaseerd op kwaadaardige onderdrukking.
Behoud status quo
"In feite was het hele systeem niet gericht op groei, maar op behoud van het bestaande machtssysteem, de status quo," aldus Van der Veen. "Afrika bleef in essentie een premoderne maatschappij. Globalisering ging dan ook aan Afrika voorbij." Het werd voor Afrikaanse leiders steeds moeilijker om voldoende middelen te vinden om de eigen snelgroeiende bevolking aan zich te blijven binden. Vanaf de jaren zeventig kon dat door internationale leningen. Het geld werd echter vooral gebruikt om de netwerken in stand te houden. Dit maakte geldschieters in de jaren tachtig steeds kritischer en de Afrikaanse staten werden gedwongen hun financiën op orde te krijgen. De hieruit volgende bezuinigingen op het ambtenarenapparaat en op voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg deed het draagvlak onder regeringen sterk verminderen. In het daaropvolgende decennium, de jaren negentig, zagen de machthebbers zich gedwongen de middelen die nog over waren, in te zetten op groeperingen die hun het meest trouw waren. Dat was vooral de etnische achterban. Dit leidde tot spanningen met andere etnische groeperingen, wat het nationale gevoel en het gezag van de centrale staat verder deed afbrokkelen.
Etnische strijd
In de staten ontstond een harde kern van machthebbers die het moest opnemen tegen andere kernen die zich gingen vormen, meestal op etnische basis. "In landen met gemakkelijk te exploiteren grondstoffen leidden spanningen snel tot geweld en strijd om middelen. De overheid werd daarin hoe langer hoe meer een van de strijdende partijen," zegt Van der Veen, "en daarmee was de staat als effectieve organisatie in de samenleving verdwenen. Dit is te zien van Somalië tot Kongo en Liberia. Gewelddadige strijd leidde tot desintegratie van de gehele samenleving, tot op het laagste niveau, de families, aan toe."
Weinig rooskleurige toekomst
De onvrede onder de Afrikaanse bevolkingen kwam in de jaren negentig duidelijk aan de oppervlakte. Groeperingen eisten een ander beleid, andere mensen in de regering en controle op de machthebbers. Dit kwam op een moment dat veel autoritaire Afrikaanse regeringen door het einde van de Koude Oorlog internationale steun verloren. De strategische betekenis van Afrika was immers aanzienlijk afgenomen. Overal op het continent kwamen verkiezingen, die soms leidden tot vreedzame vervanging van regeringen. Daarnaast ging de internationale gemeenschap de democratisering steunen. Hiermee kwam een nieuwe beweging tot vernieuwing van staten naar voren. Het is de uitkomst van de strijd tussen deze twee krachten, staatsdesintegratie en staatsopbouw, die de toekomst van Afrikaanse landen en regio’s zal bepalen. Daarbij lijkt de desintegratie voorlopig aan de winnende hand, denkt Van der Veen, zeker in West- en Centraal-Afrika. "Voor de rest van Afrika lijkt voortgaande stagnatie het hoogst haalbare. De nabije toekomst van Afrika ziet er weinig rooskleurig uit."
Bron: RUG nieuws 15/6/2004
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/265561949 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta
|
|
| |
| To top
|
| |
© 2003-2007 RUG : De Rijksuniversiteit Groningen heeft de rechten van deze repository. Alle rechten voorbehouden. Powered by WildFire
| |