(1998) Mal-Maeder, Danielle Karin van
In de laatste helft van de 2e eeuw na Christus schreef Apuleius van Madaura een roman in 11 boeken, de
Metamorphosen. Het werk, ook wel bekend onder de titel De Gouden Ezel, is het eerste voorbeeld van
fictie in Latijns proza dat, nagenoeg in zijn totaliteit, is overgeleverd: sporen van een lacune aan het eind van het laatste boek in de voornaamste manuscripten suggereren de mogelijkheid dat de laatste zin van boek 11 oorspronkelijk niet de laatste zin van de roman was.
De Metamorphosen vertellen de avonturen van de jonge Lucius, die door een Thessaalse heks in
een ezel wordt veranderd. In deze gedaante, maar wél in het bezit van zijn geestelijke vermogens, reist de held door Griekenland, waarbij hij voortdurend in handen van nieuwe meesters komt. Nadat hij uiteindelijk, dankzij de godin Isis, zijn menselijke vorm heeft terug gekregen, laat hij zich in de mysteries van haar godsdienst inwijden, wordt priester van Isis en Osiris en begint tegelijkertijd een carrière als orator in Rome. Het laatste boek, dat de anamorfose en de opeenvolgende inwijdingen beschrijft, breekt, door zijn mystieke toon en schijnbare ernst, met de burleske atmosfeer van de voorgaande boeken.
Het werk gaat terug op een Grieks origineel dat nu verloren is, maar dat Photius in de 9e eeuw nog
las. Een uittreksel van dit orgineel is onder de titel Lo_kioV _ _noV (de Onos) wel overgeleverd onder
de werken van Lucianus van Samosate. De Metamorphosen van Apuleius en de Onos komen in
hoofdlijnen overeen, met uitzondering van de wijze waarop de verhalen eindigen. In de epitome hervindt
namelijk de held zijn menselijke gedaante zonder goddelijke interventie. In plaats van een mystiek einde,vergelijkbaar met het boek van Isis bij Apuleius, eindigt de Onos op dezelfde burleske toon als de rest van het verhaal.
De roman van Apuleius vormt een belangrijke bron voor de bestudering van het Latijn als
kunsttaal en zijn ontwikkeling en voor die van de gesproken taal. Of zij nu de evolutie van het Latijn
weerspiegelen, dan wel het gevolg zijn van een stilistisch zoeken, de veelvuldige syntactische en lexicale innovaties in het werk zijn vaak in laat-Latijn terug te vinden, in het bijzonder bij christelijke auteurs.
Behalve uit puur filologisch oogpunt, is de roman tevens belangrijk voor de kennis van het Griekse en
Latijnse fictionele proza, dat juist in deze periode een opmerkelijke ontwikkeling doormaakte. De originaliteit en het zeer persoonlijke karakter van de roman van Apuleius markeren een belangrijke fase in de geschiedenis van de antieke roman. De uitzonderlijke geraffineerdheid van zijn stijl en de ontplooiing van narratieve technieken getuigen van het niveau van verfijning dat dit genre in de oudheid kon bereiken.
De Metamorphosen, waarin het beroemde verhaal van Amor en Psyche te vinden is, hadden een belangrijke
invloed op de Europese literatuur en kunst. Sinds dit werk werd herontdekt door een naaste bekende van
Boccacio in het klooster van Monte Cassino, heeft het schilders, beeldhouwers, schrijvers en cineasten
steeds weer geïnspireerd.
Dit commentaar sluit aan bij de lange serie commentaren op de Metamorphosen van Apuleius, die sinds
1938 in Groningen zijn verschenen, en in het bijzonder bij de vorm en methode van de Groningen
Commentaries on Apuleius die eerder verschenen voor de boeken 4, 1-28, 6, 25-32, 7, 8 en 9. Bijzondere
aandacht wordt hierbij besteed aan problemen van tekstkritiek, taalkundige aard en literaire aspecten, zoals intertekstualiteit, verteltechnieken en verhaalstruktuur.
De tekst van R. Helm in de Teubner-editie vormt de basis voor de lees-tekst. Hoewel er niet naar
een nieuwe kritische teksteditie op grond van eigen collaties is gestreefd, zijn alle omstreden plaatsen opnieuw bekeken. Waar afgeweken wordt van de tekst van R. Helm, wordt dit gerechtvaardigd in het commentaar.
Morfologische, syntactische en lexicale eigenaardigheden worden in hun synchrone en diachrone
aspect bestudeerd. De taal en stijl van de Metamorphosen is een opmerkelijk mengsel, met
karakteristieken van de spreek- en omgangstaal, van archaïsche en poëtische wendingen en technisch
jargon: een kontrastrijk geheel, dat de inhoud van het werk, waar luchtige `Milesische' verhalen samengaan met filosofie en religieuze mystiek, weerspiegelt. De rijkdom van de taal van Apuleius werd vaak gezien als symptomatisch voor de trage overgang van Latijn naar Romaanse talen: haar levenskracht verliezend,zou het Latijn om effecten te bereiken deze moeten vermenigvuldigen en herhalen. Deze overdaad, waarbijeffecten van klank en ritme niet geschuwd worden, staat in dienst van het streven naar nieuwe uitdrukkingsmiddelen.
Net als de andere antieke romans ontstaan uit een ontmoeting tussen verschillende genres,
kenmerken de Metamorphosen zich door hun polyfone karakter. Met de talrijke literaire echo's spreidt de auteur niet alleen zijn eruditie ten toon of rivaliseert hij met zijn literaire voorgangers. Herhaaldelijk immers bieden dergelijke allusies een sleutel tot de interpretatie. Van het contemporaine lezerspubliek kon verwacht worden dat het deze intertekstuele echo's herkende en zich aangespoord voelde, de functie van de verwijzing in de nieuwe contekst te interpreteren. In boek 2, waar de vrijage van Lucius en de dienares Photis wordt beschreven, is met name het poëtische model en in het bijzonder het elegische, erg belangrijk.
Gedurende lange tijd stond de intertekstuele relatie tussen de Metamorphosen van Apuleius en de
Onos centraal in het Apuleius onderzoek. In talrijke studies werden de verschillen en overeenkomsten van de twee teksten onderstreept en werd, afhankelijk van de periode, de superioriteit van de ene of de andere tekst benadrukt. Hoewel de twee teksten - met uitzondering van de wijze waarop zij eindigen - een identieke macrostructuur vertonen, zijn de verschillen op microniveau aanzienlijk. In vergelijking tot de epitome is de roman van Apuleius verrijkt met een groot aantal binnenverhalen en neven-episoden, die de avonturen van andere personages dan de hoofdpersoon verhalen. Het is aangetoond dat deze vertellingen een spiegelende of anticiperende functie ten opzicht van de raamvertelling hebben. Apuleius' Metamorphosen bevatten ook een groot aantal beschrijvingen, die in de Onos afwezig zijn; de personages hebben er in het algemeen meer reliëf en hun handelingen worden beter gemotiveerd. Dit is het geval bij de hoofdpersoon van boek 2, Lucius (Loukios in de Onos), van zijn familielid Byrrhena (= Abroia) en zijn gastheer Milo (= Hipparche). Het personage van Photis (= Palaistra) ondergaat in vergelijking met de epitome een belangrijke transformatie. Aangezien de Onos een samenvatting is, kan echter niet met zekerheid worden bevestigd dat al deze verschillen persoonlijke transformaties en toevoegingen van Apuleius zijn.
In het commentaar is een belangrijke plaats weggelegd voor de in de Metamorphosen gebruikte
narratieve technieken. De roman wordt verteld in de eerste persoon door de hoofdpersoon, Lucius. Deze
vertelt zijn avonturen in retrospectief, vanuit zijn eigen beperkte perspectief gedurende het chronologische verloop van de evenementen, nagenoeg zonder enige anticipatie. Deze techniek heeft als voornaamste functie de spanning te handhaven. De lezer ontdekt elke nieuwe ontwikkeling op hetzelfde moment als de held en wordt net als deze verrast. Overschrijdingen van de beperkingen van dit perspectief zijn zeldzaam.
De roman is echter rijk aan elementen die het verloop en de afloop van het verhaal op impliciete wijze
weerspiegelen en anticiperen. Dit is ook het geval bij diverse beschrijvingen in boek 2 en bij de in de raamvertelling ingebedde verhalen. Deze vooruitwijzingen scheppen bij de lezer (antiek of modern) die ze ontdekt bepaalde verwachtingen. De spanning zit vervolgens in het bevestigen of doorkruisen van de verwachtingen.
Behalve de hoofd-verteller, Lucius, voert de roman een serie andere vertellers ten tonele. Het
relaas van ieder van hen wordt bepaald door zijn eigen intenties en vervormd door zijn subjectieve
belangen. Het komt voor dat een element wordt beschreven, of een evenement verteld, op verschillende
wijzen, door meerdere vertellers. De interne contradicties die hieruit voortkomen, zijn echter geen teken van de onbekwaamheid van de auteur Apuleius, maar juist een bewijs van zijn grote beheersing van
narratieve technieken.
Structureel gezien vormt het tweede boek een volmaakte cirkel: het opent met de zonsopgang en
eindigt met het vallen van de nacht. In de verdeling in tijd van de verschillende gebeurtenissen is het nagenoeg identiek aan boek 3. Vanuit het oogpunt van de progressie van de evenementen en de spanningsopbouw vormt het samen met de boeken 1 en 3 een structurele eenheid die uniek is voor de roman. Dit betekent echter niet dat boek 2 hierdoor minder nauw verbonden is met andere boeken dan 1 en 3.
Ondanks de tegenstelling tussen de eerste tien boeken, met hun fundamenteel burleske toon, en het
elfde, mystieke en schijnbaar serieuze boek, wordt tegenwoordig aangenomen dat de roman een eenheid
vormt. Dit blijkt in het bijzonder uit de herhaling van thema's en motieven, waaraan een meer of minder diepe betekenis wordt toegekend, vaak in retrospectief, in relatie tot het laatste boek. Want het boek van Isis, dat wordt verondersteld de sleutel tot de diepe morele betekenis van het werk te zijn, speelt een essentiële rol in deze unitaristische interpretatie. Vaak leidt dit uitgangspunt tot het vaststellen van een binaire oppositie tussen de boeken 1 t/m 10 enerzijds en van boek 11 anderzijds, tussen goed en kwaad, val en wederopstanding. De gemeenschappelijke thema's van de twee delen van de roman worden in overeenstemming met deze oppositie geïnterpreteerd. Het belang van de tegenstelling tussen de eerste 10 boeken en het laatste boek lijkt hierdoor echter te worden overgewaardeerd. De ernst van het boek van Isis is namelijk op zijn minst twijfelachtig. Het illustreert een centraal, en in boek 2 sterk aanwezig, thema van het werk, dat van de goedgelovigheid. Op dezelfde manier worden ook de talrijke andere motieven van boek 2, die ook elders in de roman terug te vinden zijn, in het commentaar niet gelezen in termen van systematische oppositie met het boek van Isis, maar in termen van continuïteit.
Gebruik a.u.b. deze link om te verwijzen naar dit
document:
http://irs.ub.rug.nl/ppn/168271249 |
Meer informatie in de catalogus
Meer informatie in Picarta